Een EV met een productieprijs van pakweg 27.600 euro uit Europa? Die kost in China maar 17.800 euro om te bouwen. Dat is volgens consultancybureau AlixPartners de realiteit van de huidige autosector. Uit het onderzoek "Can Europe Still Build Cars in the 2030s?" blijkt dat Chinese elektrische auto's ongeveer een derde goedkoper zijn om te produceren dan hun Europese tegenhangers. En dat is slecht nieuws voor onze auto-industrie, want invoerheffingen of Chinese fabrieken op Europese bodem zullen dat prijsverschil niet zomaar wegwerken.
Niet de lonen, maar de batterijen doen pijn
Uiteraard spelen lagere lonen en de ondersteuning van de Chinese regering een rol om de prijs te doen zakken van de productie in China, maar toch verklaren die volgens AlixPartners maar een deel van het verschil. De grootste kostenvoordelen zitten namelijk een stuk vroeger in de productieketen: bij batterijcellen, geraffineerde grondstoffen en energie. En laat net daar China een serieuze voorsprong hebben. Naar schatting bevindt 80 tot 85 procent van de wereldwijde raffinagecapaciteit voor belangrijke batterijmaterialen zich buiten Europa (lees: vaak in China). Daarbovenop betaalt de Europese industrie ongeveer dubbel zoveel voor elektriciteit als haar Chinese tegenhanger. En dat voel je natuurlijk wanneer je op grote schaal auto's wil bouwen.

Ook onderzoek van Transport & Environment wijst in dezelfde richting. Volgens die organisatie kosten batterijcellen die in de Europese Unie worden geproduceerd momenteel zo'n 41 tot 43 dollar per kWh meer dan Chinese exemplaren. Voor een gezinswagen met een batterij van 60 kWh betekent dat een extra kost van ongeveer 2.000 tot 2.500 euro. Europese productie, grotere volumes en een betere integratie van de productieketen kunnen dat verschil tegen 2030 wel verkleinen, maar helemaal verdwijnen zal het niet noodzakelijk.
Chinese merken bouwen niet alleen goedkoper, maar ook sneller
En daar wringt het schoentje voor Europa. Zelfs als Chinese merken fabrieken openen in Hongarije, Spanje of andere Europese landen, behouden ze een belangrijk voordeel bij de productie van batterijen en andere onderdelen. De afstand tot de Europese klant wordt kleiner, maar de voorsprong in de toeleveringsketen verdwijnt daarmee niet. Bovendien bouwen Chinese constructeurs hun modellen sneller. Waar Chinese merken soms al na 24 tot 30 maanden een volledig nieuw model op de markt brengen, hebben Europese constructeurs doorgaans meer tijd nodig.

Dat verschil zie je ook in de showrooms. Bij Chinese merken komt tussen 76 en 100 procent van de verkoop uit modellen die de afgelopen drie jaar werden gelanceerd. Bij Volkswagen is dat slechts 34 procent, bij Stellantis 24 procent en bij Hyundai/Kia 22 procent. Volgens AlixPartners zit het probleem dan ook niet alleen in de productiekosten, maar vooral in de manier waarop westerse constructeurs werken. Lange besluitvormingsprocessen, uitgebreide goedkeuringsrondes en de nauwe koppeling tussen hardware en software vertragen de ontwikkeling. Om competitief te blijven, moeten Europese merken volgens de consultancy evolueren naar ontwikkelingscycli van ongeveer twee jaar en artificiële intelligentie inzetten om zowel de kosten als de ontwikkelingstijd te drukken.
En de voorsprong blijft groeien
Intussen winnen Chinese merken steeds meer terrein. In het tweede kwartaal van 2026 vertegenwoordigden ze 10,7 procent van de West-Europese automarkt, tegenover minder dan 6 procent een jaar eerder. In het Verenigd Koninkrijk, dat buiten de Europese invoerheffingen valt, loopt dat aandeel zelfs op tot 15 procent. AlixPartners verwacht dat de verkoop van Chinese automerken in Europa dit jaar 2,3 miljoen exemplaren bereikt. Tegen 2030 zouden dat er 3,8 miljoen zijn, goed voor ongeveer een vijfde van de markt. Mét steeds vaker een productie in Europa, maar ook nog steeds met het lagere prijskaartje...
Bron: AlixPartners
Reactie toevoegen
Je moet ingelogd zijn om reactie te plaatsen.
Inloggen